Ga naar de pagina-inhoud

Waarom Schoolcircus?

Vanzelf beleven de kinderen veel plezier aan het inoefenen en vooral aan de opvoering van hun kunsten in een circus. Maar je kunt je afvragen of daarbij tegelijk ook andere pedagogische kwaliteiten tot ontwikkeling worden gebracht.Hieronder vind je enkele voorbeelden, die duidelijk maken dat in zo'n project inderdaad ook blijvende vaardigheden en dieperliggende krachten tot ontplooiing kunnen komen.

 

 

 

Het circus is in de eerste plaats een groepsactiviteit die sociale vaardigheden vereist in de meest uiteenlopende vormen. Bij het oefenen van piramiden, partneracrobatie, dans, trapezewerk… moet elk individu zich immers afstemmen op de anderen. Niet de enkeling mag schitteren, wel de groep. Ieders taak is onmisbaar om het geheel te laten slagen.Elke leerling oefent de waarneming van de anderen en de wakkerheid van zichzelf. Lange leerprocessen zijn soms nodig voor een leerling gaat begrijpen hoe hij zich op het juiste moment en op de juiste wijze moet invoegen in de groepsactiviteiten.Behendigere en sneller lerende kinderen kunnen de anderen helpen. Zij beseffen dat hun act slechts slaagt als elke deelnemer op hetzelfde hoge niveau werkt. IJdelheid en betweterigheid worden aldus omgezet in hulpvaardigheid en gemeenschapszin.In een latere fase kunnen ook oudere leerlingen hun vaardigheden doorgeven aan jongere kinderen. Zij stellen zich dan ten dienste van het geheel en leren ook hoe moeilijk het soms is, eigen verworven vaardigheden aan te brengen bij anderen.

 

Bij het vormen van piramiden of bij de acrobatie moet de circusartiest het op een akkoordje gooien met de zwaartekracht. Wil een acrobatische opstelling met meerdere personen stabiel zijn, dan is standvastigheid en uithoudingskracht van elke deelnemer onmisbaar. Bij het inoefenen moet ieder apart een juiste verhouding vinden tot de wetten van de statica en deze ook volledig leren beheersen.
Acrobatische sprongen en grondturnen worden pas echt mooi als bestendig oefenen de elasticiteit en de lichaamskracht tot ongekende hoogten heeft opgevoerd. Jongleren met doeken, ballen, ringen, kegels, … vereist vooral een innerlijke wakkerheid voor de beweging. Nieuwe trucs lukken pas als het bewustzijn de ledematen volledig leidt. Het is meestal heel moeilijk aan te leren hoe je voorwerpen ritmisch vastgrijpt en weer loslaat. Je krijgt het pas onder de knie als je in je denken even beweeglijk bent geworden en je telkens weet wat de handen moeten gaan doen. Andere circuskunsten zoals balanceren op een bal, op een éénwieler, op een gespannen koord of op hoge stelten, vereisen moed. Je hebt de veilige zekerheid van de bodem onder je voeten opgegeven, op zoek, door aanhoudend oefenen, naar een zekerheid op een hoger vlak. Het vraagt veel innerlijke oefening om op elk onvoorzien moment van uitglijden, telkens weer je zwaartepunt terug te vinden en naar een evenwichtsstand terug te keren.

 

Als het kind die vaardigheden verwerft, wekt het niet alleen zielenkrachten, maar leert het ook een juiste verhouding te vinden tot zijn eigen lichaam, tot zichzelf en tot de omgeving. Het ene kind leert dat zijn lichaam vooral geschikt is om lichtheid en springkracht aan te voelen en in staat is om de wetten van de traagheid en de zwaartekracht te overwinnen. Iemand anders ervaart zijn lichaam juist als massief en weinig elastisch, en wil dan ook niet diezelfde acrobatische toeren uithalen, maar weet dat het door zijn houding en standvastigheid onmisbaar is als hoeksteen van de grote piramide. Ieder leert zijn eigen kwaliteiten en beperkingen kennen. En een circusopvoering wordt pas iets groots, als alle kwaliteiten veelvuldig aanwezig zijn en dienstbaar worden gesteld.