Ga naar de pagina-inhoud

steinerpedagogie

 

“Tegenover alles wat het kind vanuit zijn verleden meeneemt, past bij de opvoeder de innerlijke stemming van de eerbied. Bij alles wat naar de toekomst verwijst, past innerlijk enthousiasme. Bij dat wat het kind in het hier en nu meemaakt, past het beschermende gebaar.

 

Dat zijn de drie grondstemmingen, drie grondhoudingen in de ziel van de opvoeder, die het mogelijk maken iedere leersituatie gedifferentieerd tegemoet te treden.”

(R. Steiner)

 

 

Een beeldhouwer haalt zijn beeld uit het ruwe blok tevoorschijn. Eigenlijk doet hij niet meer dan zorgvuldig en met de nodige inspiratie de schil weghalen die over het reeds aanwezige beeld zat.

 

Zo is het ook de kunst van de opvoeder om wat reeds in aanleg in het wezen van het kind aanwezig is te erkennen en naar buiten te helpen brengen. Wanneer dit met zorg gebeurt, zullen er bij de jonge mens kwaliteiten tot ontwikkeling komen die de pedagoog zelf niet bezit. Daarom noemde Rudolf Steiner eerbied de noodzakelijke grondhouding voor een opvoeder ten opzichte van een kind. De Rudolf Steinerpedagogie in het algemeen en het leerplan en de lessentabel in het bijzonder beogen bij elk kind de ontwikkeling tot een harmonische en vrije mens: vrij in denken, vrij in voelen en vrij in handelen.

 

Deze vrijheid is geen vrijblijvendheid, maar integendeel een verregaande mede-verantwoordelijkheid voor de mens, voor de samenleving, voor de wereld. In die zin is de aangeboden leerstof het middel om tot de juiste ontwikkeling te komen voor elk kind. Beweeglijkheid en veerkracht kenmerken dit leerplan, waardoor levendig onderwijs kan ontstaan.